Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beenen meer of minder gestrekt al naarmate het doel hooger (het hoofd) of lager (het lichaam) gelegen is (zie fig. 7).

Is de hoek tusschen onder- en bovenarm hierbij ongeveer 90° dan spreekt men van een Ünkschen hoekstoot (zie fig. 8).

Wordt de arm aanvankelijk bewogen als voor den linkschen halfarmstoot, doch stoot men hem daarna in opwaartsche richting uit, dan brengt men een linkschen opstoot toe (zie fig. 9). De snelheid van de armbeweging wordt hierbij vergroot door heffen en strekken van romp en beenen.

2. De rechtsche halfarmstooten.

Worden toegebracht als de linksche halfarmstooten, doch bij het draaien van den romp wordt de rechtervoet langs den grond naar voren geschoven. Hetzelfde geschiedt bij het toebrengen van een rechtschen opstoot (zie fig. 10 en 11).

De zwaaistooten.

Deze worden toegebracht door een zwaaiende beweging van den bijna (doch niet volkomen) gestrekten arm. Ze volgen een langen weg en het is voor den tegenstander gemakkelijk ze te zien aankomen en er aan te ontkomen, van daar dat ze weinig toepassing vinden, vooral tegen een nog ongeschokten tegenstander.

De linksche zwaaistoot wordt toegebracht, door den linkerarm zijwaarts te strekken, den rug van de hand naar het doel gekeerd en de vuist dan, door beweging van den arm in het schoudergewricht en door draaiing van den romp, naar het doel te zwaaien (fig. 12). Al naar de plaats, die men treffen wil, zwaait men hooger of lager en strekt de beenen meer of minder.

Men zorge ervoor den stoot niet zoodanig toe te brengen, dat men het evenwicht verliest of door de eigen beweging wordt meegesleept Het is dan nog mogelijk om, wanneer de tegenstander b.v. den rechtschen zwaaistoot ontdoken heeft, hem, door de vuist een halven slag te draaien en terug te zwaaien een teruggaanden stoot tegen de rechterzijde van het hoofd toe te brengen.

De zwaaistoot kan ook van beneden naar boven worden toegebracht, door den arm omlaag te strekken en vervolgens op te

Sluiten