Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Eigenlijk mag ik zulke gedachten niet hebben, want onze oude huisbrahmaan werd eenmaal ernstig boos, toen ik iets dergelijks uitte: Ik had slechts te bidden tot Krishna en het denken over te laten aan de brahmanen. Daar ik dus niet mag denken maar alleen gelooven, zoo wil ik gelooven dat wij werkelijk Nala en Damayanti zijn geweest.

En terwijl zij nu ootmoedig de handen naar de van bloemen schitterende, bladerfluisterende kroon boven ons ophief, sprak zij den boom toe met de woorden, waarmede Damayanti, toen zij in het bosch ronddwaalde zich tot den acoka had gericht — slechts, dat het buigzame Qokavers van den dichter als vanzelf in waarde toenam en welluidender van haar lippen vloeide; evenals een lopt die in heiligen bodem overgeplant wordt: —

Gebukt door zorg, o boom, groet u een maagd; men noemt

u „zorgeloos"!

„Gemoedsrust"; geef ook mijn hart den vrede, die koel uw

schaduwkroon omhult! Spied met uw bloemenoogen: laat bladertongen fluistren: Speur waar mijn vriend verwijlt; zeg waar ge 't laatst mijn

Nala hebt gezien!

Hierop beschouwde zij mij met een liefdeblik, waar het maanlicht de tranen in deed schitteren en zei met bevende lippen: wanneer je ver van hier zult zijn en aan deze onze zaligheidsplek denkt, breng dan voor oogen hoe ik hier sta en met die woorden tot den schoonen boom spreek. Slechts zeg ik dan niet „Nala", maar „Kamanita".

Sluiten