Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij in de donkere schaduw aan den voet van den hoofdstam uitstrekte om aan Vasitthi te kunnen denken en van haar te droomen. Al spoedig vielen mijn oogleden dicht en zweefde ik aan de hand der hefde door een paradijsachtige streek.

Woest geschreeuw bracht mij plotseling tot de ruwe werkelijkheid terug. Alsof een booze geest hen uit den grond had doen komen, wemelde het eensklaps van gewapende mannen om ons heen. Zij waren reeds binnen de karren, welke ik in een kring om den boom had doen opstellen en vochten met mijn menschen, die, daar zij allen geoefend waren in het gebruik der wapens, zich dapper verdedigden. Meer dan één roover viel door mijn hand. Eensklaps zag ik voor mij een grooten, gebaarden man van een schrikwekkend uiterlijk. Zijn borst was onbedekt; om zijn hals droeg hij een driedubbele keten van menschenduimen. Ik begreep dadelijk dat dit de roover Angulimala moest zijn — de wreede, bloeddorstige, die dorpen en steden verwoest, de wegen onveilig maakt, menschen ombrengt en hun duimen aan zijn hals hangt. Dj verwachtte ook niet anders dan dat mijn laatste uur gekomen was.

Inderdaad sloeg het monster mij onmiddehjk het zwaard uit de hand — iets, waartoe ik geen wezen van vleesch en bloed in staat zou hebben geacht. Weldra lag ik ter aarde, aan handen en voeten gebonden. Al mijn mannen waren gevallen op één na: mijns vaders oude dienaar. Hij was door het groote aantal overweldigd geworden en evenals ik ongewond gevangen gemaakt. Om ons heen deden de roovers, in groepen gelegerd onder het

Sluiten