Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-werden steeds rooder — met uitzondering van één, van wien ik u later zal verhalen — waarbij de roovers druk, ja opgewonden spraken en weldra in openlijken strijd geraakten.

Helaas behoorde de kennis der dieventaal toen nog niet tot mijn verschillende kundigheden en daaruit kan men zien, hoe weinig de mensch weet, welke kennis hem het meest te pas kan komen. En er was mij veel aan gelegen geweest, als ik de beteekenis hunner luide gesprekken had kunnen verstaan, daar ik er niet aan twijfelen kon of het betrof mij en mijn lot. Gezichten en gebaren toonden mij dit met onheilspellende duidelijk' heid aan, en ware bliksemflitsen, die de hoofdman van tijd tot tijd van onder zijn saamgegroeide wenkbrauwen in mijn richting zond, heten mij het pijnlijk gemis mijner amulet tegen het booze oog ten zeerste voelen; thans glinsterde het op de harige borst van het monster.

Zooals ik later vernam, had ik een gunsteling van Angulimala, tevens een zijner beste strijders, ter aarde geveld en wel voor zijn eigen oogen. Hij had slechts nagelaten mij te vermoorden, om zijn dorst naar wraak te kunnen stillen, door het aanschouwen van mijn langzamen doodsstrijd. Doch de anderen wilden niet toestaan dat een rijke buit, die de geheele bende toebehoorde, op zulk een nuttelooze wijze zou verspild worden.

Een kaalhoofdige, gladgeschoren man, met het voorkomen van een priester, was klaarbhjkelijk Angulimalas voornaamste tegenstander en scheen dien wildeman eenigszins te kunnen temmen. Hij was het, wiens gezichtskleur onder het geheele drinkgelag haar bleekheid be-

Sluiten