Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had; onder een zoo namenloozen, meer dan menschelijken kommer schenen zij als versteend te zijn.

Toen ik weder tot bewustzijn kwam, trok het laatste van den stoet juist voorbij. Men schreef nujn plotselinge onmacht toe aan de hitte en het menschengedrang. Willoos het ik mij naar de naaste Karavansera brengen.

Hier wierp ik mij neder in den donkersten hoek, keerde het gezicht naar den wand en bleef in dien toestand dagen lang hggen, badende'in mijn tranen en alle spijzen versmadende.

Ik had mijn ouden dienaar en karavaanaanvoerder, dezelfde die mij op mijn eerste reis vergezeld had, opgedragen zoodra mogelijk onze waren te verkoopen; zelfs al moest het onder minder gunstige voorwaarden geschieden, aangezien ik zelf te ziek was om mij met de zaken te bemoeien. Inderdaad kon ik mijn gedachten slechts bepalen tot mijn onbegrijpelijk verhes, bovendien verkoos ik mij niet in de stad te vertoonen, om niet door iemand herkend te worden. Want vóór alles wilde ik vermijden dat Vasitthi iets van mijn tegenwoordigheid te hooren kreeg.

Al dien tijd stond haar beeltenis mij voor oogen, zooals ik ze het laatst gezien had. Voorzeker, ik was verontwaardigd over haar wankelmoedigheid, of liever zwakheid, want ik gevoelde wel, dat slechts van het laatste sprake kon zijn en dat het haar niet mogelijk was geweest zich langer tegen den wil harer ouders te verzetten. Dat zij den triomfeerenden niinisterszoon haar hart niet had geschonken, dit hadden haar houding en voorkomen maar al te duidelijk aangetoond. Doch wan-

Sluiten