Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. In den vreemde.

Welk een ongekende rust omgaf mij nu, o broeder, toen ik, na de mannen hun posten aangewezen te hebben, mij weder in huis begaf! Niet alleen hoorde/ik de stemmen mijner vrouwen niet meer — dit was nog niet alles, maar dat ik ze de poort had hooren uitgaan — dat er geen mogelijkheid meer bestond een dezer beide stemmen uit den een of anderen hoek te voorschijn te hooren komen, of hen elkaar sarrend zich tot een scheidduet Jte hooren vereenigen: dit was het, wat mijn huis een bijna onbegrijpelijke en onbeschrijfelijk weldadige stilte verleende. Zoo kwam mijn paleis en uitgestrekte parkaanleg mij nu heerhjker voor dan ooit te voren en ik rilde bij de gedachte, dat deze heerlijkheid in enkele uren door misdadige roovershanden verwoest zou kunnen worden. Het gevaar voor mijn eigen leven beangstigde mij veel minder dan de levendige voorstelling hoe deze welverzorgde lanen vernield zouden worden, de kunstvaardig gebeeldhouwde marmeren zuilen in elkaar storten en alles wat mij zooveel inspanning had gekost en zooveel vreugde had gegeven, nog eer de zon opging, een puinhoop zou kunnen zijn. Want ik kende maar al te goed Anguhmalas manieren. Intusschen viel er voor mij op het oógenblik niets anders te doen dan te wachten en eer het middernacht werd, moesten er nog verscheidene uren verloopen.

Sluiten