Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koeltje woei mij eensklaps tegen en önmiddelijk daarop klonk het geschreeuw van een uü; tegelijkertijd kwam er van int de vijvers een sterke geur van nachtlotussen. Om nogmaals den tijd na te gaan, vestigde ik mijn blik op den sterrenhemel; over het diepblauwe gedeelte van den hemel dat boven de donkere boomkruinen zichtbaar was, strekte zich de zachtlichtende baan van den Melkweg uit.

De hemelsche „Ganga", prevelde ik onwillekeurig. En nu was het mij plotseling alsof die drukking op de borst zich oploste als een warme goh en opsteeg om zich ten slotte als een tranenstroom door mijn oogen vrij te maken.

Wel had ik te voren, toen mijn leven voorbij mij heentrok, aan Vasitthi en aan mijn hefde gedacht — maar meer als iets ververwijderds en vreemds, dat mij bijna voorkwam als een zonderlinge droom. Maar nu dacht ik er niet meer aan — neen, ik beleefde het opnieuw; ik was tegelijk mijzelf van toenmaals en van het oógenblik en met een waren schrik werd mij op eens het groote verschil duidelijk. Destijds bezat ik niets, behalve mijzelf — en mijn hefde; hoe waren deze te scheiden? Nu daarentegen — o, wat bezat ik nu al niet! Vrouwen en kinderen; olifanten, paarden en ossen; bedienden en slaven, rijk gevulde voorraadschuren; goud en juweelen; een paleis en een park dat mijn medeburgers mij benijdden — dat alles bezat ik, maar wat was er van mijzelf geworden?

Als een mislukte vrucht was de kern-verdroogd en het geheel was een leeg omhulsel geworden

Sluiten