Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boort; dit lichaam, dat overgegeven is aan wellust, vervallen tot vraatzucht! Het is mijn ergste bezitting, dit leven, dat gij mij ontnemen wilt. Welkom, roovers, goede vrienden, oude kameraden!

Nu kon het toch niet lang meer duren; middernacht was voorbij. En hoe verheugde ik mij niet op het gevecht. Angulimala zou mij zoeken. „Ik wil toch eens zien of hij mij ook dezen keer het zwaard uit de hand kan slaan. O, hoe zoet moet het zijn, te sterven na eerst hem doorstoken te hebben — hem, die de schuld draagt van al mijn leed."

„Het kan toch niet lang meer duren!" Hoe dikwijls heb ik in deze nachtehjke uren die vertroosting niet herhaald.

Nu eindelijk! Neen, het was slechts het suizen van het gebladerte, dat in de verte verstierf en dan opnieuw weer naderde. Het was een geluid alsof een groot dier met een dikken pels zich schudde. Telkens herhaalde, het zich; eenmaal klonk een korte schreeuw van een of anderen vogel.

Was dit niet een teeken dat de dageraad op handen was?

Ik rilde van schrik. Zou het mogelijk zijn dat ik nog teleurgesteld werd? — Ja, thans huiverde ik bij de gedachte dat de roovers misschien in het geheel niet zouden komen. Hoe scheen het einde van alles piet als voor het grijpen te zijn: een kort, woedend gevecht en dan de dood, dien ik nauwelijks bemerken zou. Niets scheen mij nu zoo troosteloos toe, als het vooruitzicht heel gewoon hier in den morgen aangetroffen te worden

Sluiten