Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTTIENDE HOOFDSTUK. In de voorhal van den pottenbakker.

Nadat de pelgrim Kamanita met deze woorden zijn verhaal geëindigd had, zweeg hij en beschouwde peinzend het landschap.

Ook de Volmaakte zweeg en beschouwde peinzend het landschap.

Reusachtige boomen zag men van hier; dichtbij en in de verte, sommigen bij elkaar als groote schaduwmassa's, anderen met tusschenniimten als donkere gedaanten of zich nevelachtig in de verte oplossende.

De maan stond boven het dak, doch haar schijnsel drong door tot in het voorste gedeelte der hal, waar het op den gladden leemen vloer drie lichte plekken deed ontstaan, als drie witte lakens op een bleekveld, terwijl de pilaren aan de linkerzijde ghnsterden alsof zij met zilver beslagen waren.

In de diepe stilte hoorde men in de nabijheid een buffel met korte, regelmatige rukken grazen.

En de Volmaakte dacht bij zichzelf: Zal ik dezen pelgrim zeggen wat ik van Vasitthi weet? Hoe trouw zij hem was, hoe zij alleen ten gevolge van een laaghartig bedrog er toe gebracht werd Satagira te huwen ? Hoe zij het was, die Angulimala naar Ujjeni zond en zoodoende de oorzaak werd dat Kamanita zich nu op den pelgrimsweg bevindt, in plaats van ten onder te gaan door een nietswaardig weeldeleven? Zal ik hem

Sluiten