Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En als zoodanig begrijp ik ook, eerwaardigste, de door u verklaarde leer, dat de monnik, die alle onreinheid te boven gekomen is, wanneer zijn hchaam wordt opgelost, geheel tot niets zal worden, dat hij vergaat, dat hij aan gene zijde van den dood ook niets meer zijn zal.

— Hebt gij mij niet verteld, pelgrim, vroeg Buddha toen, dat gij binnen den tijd van een maand aan de voeten van den Volmaakte hoopt te zitten, in het park Tatavana bij Savatthi?

— Dat hoop ik zeker te doen, eerwaardigste. Waarom vraagt u me dat?

— Wanneer gij aan de voeten van den Volmaakte zult zitten, wat meent gij dan, mijn vriend — de lichaamsvorm, dien gij ziet en met handen beroert, is dat de Volmaakte? Zijt gij van dien meening?

— Dat ben ik niet, eerwaardigste.

— Wanneer Buddha dan met u spreekt — het bewustzijn, dat zich uit, door zijn gevoelens, waarnemingen en voorstellingen, is dat dan de Volmaakte? Zijt gij van die meening?

— Dat ben ik niet, eerwaardigste.

— Zoo maken dan wel hchaam en bewustzijn te zamen gevat den Volmaakte uit?

— Evenmin is dit mijn meening, eerwaardigste.

— Is de Volmaakte dan gescheiden van het hchaam? Of van het bewustzijn ? Of van beiden ? Is dit uw meening ?

— Hij is er in zooverre van gescheiden, dat zijn bestaan nog niet kan worden aangetoond door deze aanwijzingen.

— Welke aanwijzingen wilt gij dan nog bovendien,

De pelgrim Kamanita ]0

Sluiten