Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Aan den oever van den hemelschen Ganga.

Aangezien Kamanita bemerkte dat deze herinneringen zelfs hier in het oord der zaligen als met donkere vleugelen een schaduw wierpen op de teedere, pas ontwaakte ziel zijner gehefde, zoo greep hij haar bij de hand en voerde haar weg van die plek; hun vlucht richtende naar de hefehjke hoogte aan welker helling hij onlangs gerust en het spel der zahgen aanschouwd had. Hier heten zij zich neder. Overal in het rond, tusschen boschjes en struikgewas, op weiden en om hoogten heen bewogen zich ontelbare zwevende gedaanten; roode, blauwe en witte; steeds kwamen er nieuwe groepen en omringden hen, om de nieuw ontwaakte te komen begroeten. Weldra mengden ook zij zich in de rijen der spelenden.

Zoo hadden zij reeds een geruimen tijd, naarmate de zwevenden hen heenvoerden, rondgezweefd tusschen het kreupelhout, om hoogten heen, over weiden en lotus vijvers, toen zij de witgekleede tegenkwamen, die toenmaals Kamanita had uitgenoodigd om met haar den tocht naar den Ganga te ondernemen. Terwijl hij haar onder den dans de hand reikte, vroeg zij met een heven glimlach:

— zÜt gij al naar den oever van den Ganga geweest ? Gij hebt nu een begeleidster.

— Nog niet, antwoordde Kamanita.

Oe Pelgrim Kamanita ,3

Sluiten