Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Hoe, mijn geliefde? Hebt gij dan den Volmaakte van aangezicht tot aangezicht aanschouwd?

— Voorzeker heb ik dat; ik heb aan zijn voeten gezeten.

— Dan noem ik u gelukzalig, Vasitthi! Gelukzalig zijt gij met die herinnering. Ach! Ook ik zou even gelukkig en vol vertrouwen zijn geweest, als niet op het laatste oógenblik het noodlot — als ware het de vergelding van een slecht levensgedrag — mij beroofd had van het geluk den verheven Buddha te kunnen naderen. Een gewelddadige dood nam mij weg, op het oógenblik dat ik in dezelfde stad als hij juist vertoefde — te Rajagaha — in den morgen na mijn gesprek met den wonderlijken asceet. Ik was nog slechts een kwartier gaans verwijderd van het Mangoboscb, waar de Volmaakte zich ophield, toen het noodlot mij inhaalde. Doch thans is mij de troost geschonken dat mijn Vasitthi heeft bereikt, wat mij ontzegd werd.

O, vertel mij daar alles van, hoe gij tot hem, den Verhevene zijt gekomen. Want inderdaad zal dit mij opheffen en sterken en dan zullen ook de woorden die mij zoo verschrikkelijk, zoo alle hoop vernietigend toeschenen, verstaanbaar worden en hun bitterheid missen — ja, wellicht nog bhjken een geheime troost te bevatten.

— Gaarne, mijn vriend, antwoordde Vasitthi.

«Zij heten zich neder op hun lotusrozen en Vasitthi vervolgde het verhaal harer wederwaardigheden met deze woorden:

Sluiten