Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. Satagira.

Dien geheelen nacht bracht ik op het terras door, bestormd door ongewone hartstochten, die met mijn hart hun spel dreven als een wervelwind met een blad.

Kamanita was dus nog in leven! In zijn ververwijderde woonplaats moest hij van mijn huwehjk gehoord hebben, anders ware hij reeds lang geleden hier gekomen. Hoe trouweloos en hoe ellendig zwak moest ik hem niet toeschijnen, en van deze mijn vernedering was Satagira alleen de oorzaak. Met iedere minuut werd mijn haat tegen hem doodelijker en diep voelde ik de waarheid van Anguhmalas woorden, dat ware ik een man geweest, ik Satagira gedood zou hebben.

Dus deed er zich weder een uitzicht voor mij op, hetwelk Angulimala zoo onverwacht voor mij geopend had. Bij die gedachte geraakte mijn gansche gemoed zoodanig in oproer, dat mij het bloed naar het hoofd steeg en mijn borst beklemd raakte. Niet in staat mij langer op de been te houden, trachtte ik nog wankelend een bank te bereiken, doch aleer ik er gekomen was, viel ik buiten kennis op den marmeren vloer neer.

De koele morgennevel bracht mij weder terug tot de onzalige werkelijkheid en de vreeselijke taak die ik te vervullen had.

Was het dan inderdaad waar, dat ik mij in gemeenschap had gesteld met een roover en duizendvoudigen

Sluiten