Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. Buddha en Krishna.

De ondergaande zoon schoot haar stralenbundels tusschen de stammen der boomen door en bracht daarmede de in het bosch wachtende menigte als het ware een gezegenden godengroet, terwijl rozenroode, steeds helderder wordende kleine wolkjes tusschen de boomkruinen kwamen doorkijken, alsof zich ook daar een hemelsche schare verzamelde, die uit het blauw kwam zweven.

Als een vervallen grijsaard, die een verjongingsdronk slikt, nam ook het tempelgebouw daar voor mij, met zijn donkere, verbrokkelde steenmassa's dezen laatsten zonnegloed in zich op. Onder de betoovering van het roodgouden hcht en de purperen schaduwen, was het alsof er in die steenen massa op een wonderlijke wijze nieuw leven ontstond. De gebarsten kapiteelen der zuilen straalden hcht uit; hoeken en uitsteeksels schoten vonken; gewelven kromden zich; wat gegolfd was, schuimde goudachtig en bladerwerk begon te groeien. Langs 'den tredevormigen onderbouw, op plinten en kapiteelen, op friezen en op de terrassen van het koepelvormige dak — overal dwarrelde een verward dooreen van zonderhnge en geheimzinnige figuren. Goden traden te voorschijn in een glorieschijn; men zag er veelhoofdige en veelarmige gedaanten, verminkt en ver-

Sluiten