Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kroonbladen laten vallen en het water ghnsterde nog slechts spaarzaam tusschen al deze kleine bladen door, waarbij het telkens als een nieuw blad naar beneden viel, begon te sidderen.

Op hun bladlooze tronen zaten alle gedaanten in een meer of min gebogen houding; de eene liet het hoofd op de borst hangen, bij een andere helde het ter zijde en ieder oógenblik terwijl er een ijzige huivering door de kruinen der boomen ging, die een regen van bloemen deed neervallen, rilden zij als in een koortsaanval. Droevig gedempt en steeds meer onderbroken door schrille dissonanten klonk de muziek der hemelsche genieën. Diepe zuchten en angstig steunen vermengde zich daarmede. Alles wat hcht had uitgestraald: de aangezichten en kleeding der zaligen en der genieën, de wolken, de bloemen — dit alles verloor zijn glans, terwijl een blauwe, schemerachtige nevel in de verte haar draden scheen te spinnen. De frissche bloemengeur, die eertijds zoo hartverkwikkend alles had doorstroomd, was langzamerhand overgegaan in een den adem beklemmende, zinnenbedwelmende, slaapwekkende opiumlucht.

Met een matte handbeweging wees Kamanita om zich heen:

— Hoe kan men op dit gezicht blijdschap gevoelen, Vasitthi?

— Dat kan ik, mijn vriend, op grond dat, indien dit alles onvergankelijk ware, dan zou er niets hoogers meer zijn. Maar aangezien dit vergaat, bestaat er iets onvergankelijks, ongeschapens. Daarom noemde de Volmaakte dit „de vreugde der vergankelijkheid" en

Sluiten