Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan zegt hij: „Wanneer gij den ondergang van het geschapene erkent, erkent gij het ongeschapene."

Bij deze geruststellende woorden verhelderden zich Kamanita's trekken, zooals een door droogte verwelkte bloem zich onder den regen weer herstelt.

— Geprezen zijt gij, Vasitthi; u dank ik mijn redding! Ja, ik voel het: het was ons groote gebrek, dat wij ons verlangen nief hooger hebben gesteld. Want wij begeerden dit leven in een bloemen-paradijs en bloemen moeten immers volgens hun natuur eenmaal verwelken. Maar de sterren zijn onvergankelijk; zij leggen hun baan af volgens eeuwige wetten. En zie daar, Vasitthi! Terwijl alles het bleèke spoor van verval draagt, stort gindsche stroom — gindsche tak van den hemelschen Ganga — zijn water even helder en even rijkelijk als ooit te voren in ons meer — omdat hij komt van de sterrenwereld. Hij, die bereiken kon, herboren te worden onder de sterrengoden, zou verheven worden boven den kringloop der vergankelijkheid.

— Waarom zouden wij dit niet kunnen bereiken? vroeg Vasitthi. — Ik heb gehoord van monniken, die hun vurig streven richtten naar een opstaan in het rijk van den honderdduizendvoudigen Brahma en het kan nu nog niet te laat zijn, indien het oude woord in den Hoogzang waarheid bevat:

De gedaante, waaraan hij denkt, op 't einde van zijn leven, In die zal hij weer opstaan; dat lot wordt hem gegeven.

— Vasitthi, gij geeft mij bovenmenschelijken moed! riep Kamanita uit. Welaan, wij zullen geheel onzen

Sluiten