Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was gekeerd. Vajira, zijn tweede vrouw, die met zijn zoontje op den arm binnentrad om hem te verwelkomen, werd kortaf weggezonden: hij had op het oogenbhk gewichtige zaken met mij te bespreken. Toen wij nu weder alleen waren, begon hij, zeer tegen mijn zin, dadehjk over zijn hefde te praten; hoe hij mij gedurende zijn reis gemist had; hoezeer hij zich op het wederzien had verheugd.

Ten einde hem op andere gedachten te brengen, wilde ik hem juist gaan vertellen van de onrust in de stad, toen er iemand van het hof werd aangediend, die hem tot den koning kwam roepen.

Na verloop van een uur keerde hij terug als een geheel ander mensch. Bleek, met ontsteld gelaat, kwam hij bij mij binnen, het zich op een bank neervallen en riep uit, dat hij de ongelukkigste man in het gansche rijk was; een gevallen grootheid; dat hij weldra een bedelaar zou zijn, als hem ten minste geen gevangenis of verbanning dreigde — en dat alles had hij alleen te danken aan zijn grenzelooze hefde tot mij, die ik zelfs niet eens beantwoordde!

Na mijn herhaalde aanmaning om toch te zeggen wat er geschied was, kwam hij eindelijk in zoover tot kalmte, dat hij onder gedurige uitbarstingen van wanhoop, waarbij hij onophoudelijk de zweetdroppels van zijn voorhoofd droogde, berichten kon, wat er ja het paleis was voorgevallen.

Koning Udena had hem hoogst ongenadig ontvangen en zonder te willen luisteren naar den gelukkig bijgelegden dorpsstrijd, had hij hem onder zware bedreigingen

Sluiten