Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den geheelen dag was het zoel en nevelachtig geweest, maar hierboven woei ons een frissche wind te gemoed en steeds werd het helderder voor onze oogen, alsof er tevens een sluier werd opgeheven.

Boven het bosch verhieven zich reusachtige rotswanden en daar weer boven prijkten groene bergkegels, die steeds hooger werden — het moeten met bosschen gekroonde bergen zijn geweest, ofschoon het in de verte den schijn had alsof het mos was — steeds hooger verhieven zij zich, totdat zij zich als in den hemel zelf schenen te verhezen. Daarboven zweefde slechts een enkele, langwerpige, hchtroode wolk en terwijl wij haar beschouwden, begon zij op een zeldzame wijze te gloeien. Evenals wanneer mijn vader met een tang een stukje zuiver goud uit den smeltkroes nam en het, nadat het afgekoeld was, op een lichtblauwen zijden doek plaatste — zoo glinsterde nu dit luchtverschijnsel met schitterend gouden, scherpgeteekende vlakken en hoeken, en daar doorheen liepen doorzichtige lichtgroene strepen waaiervormig naar beneden en verdwenen in de kleurlooze luchtlaag alsof zij de daaronder liggende groene bergen verlangden te bereiken. Steeds helderder gloeiden deze hchtvlakken, steeds groener werden de schaduwen.

Het was geen wolk!

— Himawat! fluisterde Medini en geheel er door overweldigd, greep zij mijn arm.

Ja, daar lag hij voor mij, de berg der bergen, de woning der goden, de verblijfplaats der heiligen, de plaats van de eeuwige sneeuw.

Himawat! Reeds vanaf mijn kinderjaren had deze

Sluiten