Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heersen ende stilte en eenzaamheid had gerust gesteld, bleef hij staan, zette de buks met de kolf op den grond, boog zich voorover, en bootste op een bedriegelijke wijze het gefluit na van den centzontle, of Amerikaanschen nachtegaal.

Nauwelyks had de laatste toon \an dit melodisch vogelgezang de lucht doen trillen, of uit dezelfde struiken, die den eersten jager hadden doorgelaten, kwam een tweede personage te voorschijn.

De laatstgenoemde was een Indiaan; hij voegde zich terstond bij den Canadees, en na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij met een stem, die meer gerustheid wilde veinzen dan hij misschien werkehjk bezat:

„Wel, hoe is *t ?" . „Alles is stil," antwoordde de jager, „de Cïhuatl kan gerust komen."

De Indiaan schudde het hoofd.

„Sedert het opkomen der maan is Machsi-Karehde van de Wilde-Roos gescheiden, en hij weet niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt."

Een welwillende lach plooide de lippen van den jager.

„De Wilde-Roos bemint mijn broeder," zeide hij zachtzinnig, „het kleine vogeltje, dat in het diepst van haar hart zingt, zal haar wel op het spoor van het opperhoofd hebben geleid. Is Machsi-Karehde het fluitje vergeten, waarmede hij haar placht te roepen op zijn wachtplaats, in het stamdorp?"

„Het opperhoofd is niets vergeten."

„Laat hij haar dan roepen."

De Indiaan had geen tweede vermaning noodig, want het geroep van den Walkon deed de stilte weergalmen.

Op hetzelfde oogenblik hoorde men eenig geritsel tusschen de takken, een jonge vrouw sprong, als een verschrikte ree, hijgend te voorschijn en vloog den krijgshaftigen Indiaan om den hals, die de armen reeds uitstrekte om haar te ontvangen. De omhelzing duurde niet langer dan een bliksemflits; het opperhoofd schaamde zich blijkbaar, dat hij zich in het bijzijn van een blanke, ofschoon deze zijn vriend was, tot zulk een vertooon van teederheid had laten vervoeren, en hij stiet de jonge vrouw koel van zich af, onder het uiten van eenige woorden, die niet het minste spoor van ontroering of hartstocht te kennen gaven.

„Mijn zuster zal zeker moede 'zyn, en op dit oogenblik heeft zij geen gevaar te vreezen; zij kan dus gaan slapen, de krijgslieden zullen haar bewaken."

„De Wilde-Roos is een doohter der Comanchen," antwoordde zij met een schroomvallige stem, „haar hart is kloek, zij gehoorzaamt den MachsiKarehde (Vliegende-Arend), daar zij weet, dat zg onder de bescherming van zulk een machtig opperhoofd veilig is."

De Indiaan wierp haar een blik van onuitsprekelijke teederheid toe, maar hernam bijna oogenblikkelijk den schijn van norsche ongevoeligheid, dien de Roodhuiden nimmer afleggen.

„Terwijl mijn zuster slaapt, zullen de krijgslieden raad houden, zèide hij.

De jonge vrouw antwoordde niet, zij maakte voor de beide mannen een eerbiedige buiging, en verwijderde zich, om zich eenige stappen verder op het gras neder te vlijen, waar zij de oogen sloot en insliep, of althans deed alsof zij sliep.

De Canadees bepaalde zich alleen bjj een enkelen glimlach, toen hij zag,

Sluiten