Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het vuurwater (brandewijn) heeft die honden van Apachen de ooren gestopt en de oogen gesloten, zij liggen thans zoo lang als ze zijn te slapen."

„Hm 1 dat zou ik niet denken, integendeel houd ik mij overtuigd dat zij klaar wakker zijn en ons zoeken."

Op hetzelfde oogenblik, als had het toeval de vrees van den voorzichtigen jager willen rechtvaardigen, hoorde men meer dan een tiental geweerschoten kort in de nabijheid lossen; een vreeselijke oorlogskreet, dien de Canadees en de Comanch terstond met een kreet van uitdaging beantwoordden, klonk uit het dichtst van het woud, en een dertigtal Indianen van den Apachenstam, rukten huilende op het vuur af, waar bij onze drie avonturiers zich bevonden hadden ; maar deze waren eensklaps als met een tooverslag verdwenen.

De Apachen bleven staan en schuimbekten van woede, niet wetende welke richting zij zouden kiezen, om hunne sluwe vijanden terug te vinden. Plotseling vielen drie geweerschoten uit het bosch, even zoovele Apachen tuimelden, in het hart getroffen, op den grond.

De Apachen deden opnieuw een woest gehuil hooren, en rukten voorwaarts in de richting, waar de schoten gevallen waren. Op het oogenblik toen zij den rand van het bosch bereikten, trad er een man uit te voorschijn, in zyn hand een bisonshuid zwaaiende ten teeken van vrede.

Die man was de Canadees Loer-Vogel.

De Apachen bleven min of meer schoorvoetend staan, en hadden blijkbaar niet veel goeds in den zin. De Canadees scheen dit echter niet op te merken en stapte bedaard naar hen toe, 'met den vasten en langzamen tred, dien hij gewoon was. Zoodra de Indianen hem herkenden, drilden zij toornig hunne wapenen en dreigden op hem in te loopen, want zij hadden reden genoeg, den jager een kwaad hart toe te dragen. Hun opperhoofd hield hen echter terug.

„Laat mijn kinderen geduld oefenen," zeide hij met een somberen glim lach, „zij zullen niets verliezen met een poosje te wachten."

II.

DE GAST.

Denzelfden dag waarmede ons verhaal begint, op ongeveer drie mijlen van de plek, waar de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen plaats grepen, had in een uitgebreide kampplaats, aan den ingang van een onmetelijk woud, welks laatste geboomte tot aan den oever der Rio-Colorado doorliep, een talrijke karavaan met het ondergaan der zon halt gemaakt, om er den nacht door te brengen.

Die karavaan kwam uit het zuid-oosten, namelijk uit Mexico, en scheen reeds langen tijd op marsch te zijn geweest, althans voor zoover zich liet opmaken uit den versleten toestand, waarin zich de kleeding der reizigers bevond, alsmede de zadels en tuigen hunner paarden en muilezels. Voor

Sluiten