Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te werk gaan; maar vergun mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds schijnt mij toe een voor ons zeer belangrijke wending te nemen."

De Indiaan maakt een buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een weinig om beter te kunnen hooren wat er gesproken werd.

Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk voor raadzaam om tusschenbeiden te komen, daar hij zich weder tot den VliegendenArend wendde, en hem iets in het oor fluisterde, evenals zij gedurende hun vorige samenspraak reeds gedaan hadden.

„Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen," zeide hij ; „zijn tegenwoordigheid zou thans meer schade dan voordeel aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om ons met zulk een groot aantal vijanden te meten, de voorzichtigheid vordert dat wij liever list te baat nemen."

„De Apachen zijn honden," mompelde de Comanch bitter.

„Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen alsof wij beter over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig gelegenheid hebben om ons te wreken; buitendien blijft het voorbeeld aan ons, daar wij hen misleiden."

De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen.

„Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor dat ik hem een sein geef?" hervatte de jager met nadruk.

„De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij het Grijze-hoofd zal gehoorzamen."

„Goed, let nu maar goed op, gij zult niet lang behoeven te wachten."

Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van ernst en spot, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande de oude jager zich stoutmoedig een weg door de struiken en stapte met vasten tred het kampement binnen, gevolgd door zijn twee kameraden.

Wij hebben reeds gezegd welk een opschudding bunne onverwachte komst onder de Apachen te weeg bracht.

De Vliegende-Arend nam zijn schuilplaats boven in den boom weder in, dien hij slechts verlaten had om eenige woorden met den jager te wisselen en hem den hoogst noodigen raad en terechtwijzing te geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel.

„Vriend," zeide hij in 't Spaansch, welke taal de meeste Indianen verstaan, „uw bevel is ten uitvoer gebracht, de Vliegende-Arend en zijn vrouw zijn thans in het kamp der Gambucinos."

„Goed," antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep wat er van waar was; „wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt?"

„Twee jagers, die het opperhoofd der Gambucinos mij heeft medegegeven, ondanks mijn verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt; hij zelf komt terstond hier met een dertigtal ruiters."

„Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder behoeft te bekommeren, en de moeite kan sparen... of neen, ik zal liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand te voorkomen."

Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door een man dien de aanwezige Indianen menigmaal op zijn juiste waarde hadden leeren schatten, maakten op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken indruk.

Sluiten