Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd, dat de Roodhuiden aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste voorzichtigheid paren en nooit een" onderneming zullen wagen, zonder vooraf de kansen op welslagen, die zij aanbiedt, te hebben berekend en, zoodra deze kansen keeren om voor een vermoedelijk nadeelige uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te zien, om de eenvoudige reden, dat bij hen de eer, zooals wij die in Europa kennen, slechts een-ondergeschikte plaats inneemt, en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is.

De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man ; in menig gevecht had hij hiervan afdoende proeven gegegeven; intusschen aarzelde hij niet om aan het algemeen belang zijn innigste wenschen op te offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een sprekend bewijs van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen mocht, liet hij zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel, wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwicht voldoende zouden zijn geweest om zelfs de inzichten van een schranderder man van 't spoor te helpen, dan den onbeschaafden Indiaan,- met wien hij hier te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk en onvoorwaardelijk partij.

Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart verheugt zich hem als vriend te mogen ontvangen: zijn metgezellen kunnen nevens hem plaats nemen rondom het vuur van den raad, waar de rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal worden aangeboden."

„De Roode-Wolf is een groot opperhoofd," antwoordde Vrijkogel; „ik reken mij gelukkig door de gevoelens van welwillendheid, die hij mij betoont en ik zou zijn aanbod met het meeste genoegen aannemen, zoo dringende redenen mij niet verplichtten om zoo spoedig mogelijk naar mijn blanke broeders - terug te keeren, die mij reeds wachten op korten afstand van het kamp der Antilope-Apachen."

„Ik hoop niet dat er een wolk is gerezen tusschen het Grijze-Hoofd en zijn broeder den Roode-Wolf," hervatte de arglistige Indiaan; „twee krijgslieden moeten elkander wederkeerig hoogachten."

* Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik alleen en openlijk in uw kamp verschenen, terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk geleide van krijgslieden had kunnen doen vergezellen.

Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden, en dus niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was hun ontgaan kon; maar het was zijn belang en dat van zijn vriend, om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en om de arglistige uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt aan te nemen.

Zijn die blanke vrienden van u zoo dicht in onze nabijheid gelegerd?" hervatte de Roode-Wolf.

„Ja," antwoordde Vrij-Kogel, „niet verder dan vier of vijf boogschoten op zijn best genomen, in westelijke richting."

Ooah l dat spijt mij," zeide de Indiaan, „ik zou mijn broeders anders gaarne tot aan hun kamp hebben vergezeld ?"

„En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan ?" vroeg de oude jager, even rond als politiek ; „vreest gij misschien slecht ontvangen te zullen worden ?

Sluiten