Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich twee bazars of groote verkoophuizen — de Parian en de Portal de las Flores.

Op den 10 Juli 1854, omstreeks tien uur des avonds, nadat een brandende zonnehitte de inwoners den geheelen dag genoodzaakt had zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche wind uit de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea's, om er het verkwikkende luchtbad van den Amerikaanschen nacht te genieten, dat als door het heldere blauw des hemels heen, van de sterren op aarde schijnt af te dalen. Oók de straten en pleinen waren met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gemompel, een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de zonderlingste wijze met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach ; kortom, als een betooverde stad uit de duizend en een nacht, scheen Mexico op het gelui der klok van het oradon eensklaps als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vroolijk straalden er de aangezichten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine avondlucht met volle teugen konden inademen.

Op dit oogenblik kwam er uit de Calle San-Francisco een onderofficier — gemakkelijk te herkennen aan het rottinkje dien hij als kenteeken van zijn rang in de hand had — en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij, dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzicht, tieren blik en een paar fijn gewaste,, koket opgestreken knevels. Na twee of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de jonge meisjes, en met de elleboogen stootend tegen de mannen, naderde hij, altoos in dezelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een gezicht als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen, ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen in de lade van zijn met duizend inktvlekken bezoedelde tafel; werkelijk was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals het bordje boven de deur van zyn pakhuis aanduidde, waarop met witte letters op een zwarten grond gelezen werd : „Juan Bautisto Leporello, Evangelista." De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door het glazen raampje, dat met allerlei soort .van geschreven stukken pronkte ; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien had, gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur.

De soldaat hoorde daar binnen een stoel verschuiven, den sleutel in het slot steken, eindelijk ging de deur op een kier open, en kwam het hoofd van den rekestschrijver vreesachtig te voorschijn.

„Ha I zijt gij het, don Annibal. Dios me ampare l ik had u nog niet zoo spoedig verwacht," zei de oude, op dien zoetsappigen, slependen toon, waarvan zekere lieden zich bedienen, wanneer zij iemand voor zich zien dien zij vreezen.

„Cuerpo de Christo l houd u maar zoo onnoozel niet, oude coyotte," antwoordde de sergeant barsch; „wie anders als ik zou mijn voeten* nog zoo laat in uw vervloekt krot durven zetten I"

Sluiten