Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vergiffenis! heilige moeder, vergiffenis, ik heb alles gezien wat gij zegt, ik heb de begrafenis van dona Laura bijgewoond; helaas 1 ik kan er niet aan twijfelen, zij is dood."

Onder het uiten der laatste woorden kon het meisje zich niet langer bedwingen en liet haar tranen den vrijen loop.

De abdis zag haar uitvorschend aan.

„Het is goed," zeide zij, „verwijder u, maar ik zeg u nog eens, pas op I Ik weet dat er ook in u een geest van verzet heerscht, die uw hart tot opstand drijft, en ik zal u in 't oog houden."

Het jonge meisje groette de kloostervoogdes met een deemoedige buiging, en trad terug om haar bevel te gehoorzamen en heen te gaan.

Opeens hoorde men een vreeselijk rumoer; angstkreten doormengd met bedreigingen klonken op de gangen, en driftig loopende voeten, als van een onstuimigen troep volk, schenen snel te naderen.

„Wat beteekent dat?" riep de abdis verschrikt; wat is dat voor rumoer ?"

Zy vloog ontsteld op en trad met weifelenden tred naar de deur van haar cel, waartegen op dit oogenblik herhaalde malen geklopt werd.

„O lieve God 1" prevelde de novice, met een weemoedigen blik naar het Madonnabeeld, dat haar minzaam scheen toe te lachen; „zouden zij ons eindelijk komen verlossen ?"

Eer wij hier verder gaan is het noodig dat wij naar don Torribio terugkeeren, dien wy straks verlaten hebben, terwyl hij met zijn kameraden in de richting van het klooster optrok.

Volgens de gemaakte afspraak, had don Torribio zich met zijn gansche troep bij de muren van het klooster vereenigd. Om in hun onderneming niet gestoord te worden, hadden de bandieten al gaande weg, naarmate zij het klooster naderden, al de nachtwachts die zij op de straat ontmoetten overrompeld, gebonden, proppen in den mond gestopt en naar het klooster meegenomen. Dank zij deze welberekende manoeuvre, hadden zij ongehinderd het bedoelde punt bereikt. Niet minder dan twaalf serenos waren op deze wijze gevangen genomen en gekneveld.

• Toen zy eenmaal bij het klooster waren, had don Torribio order gegeven om de medegesleepte senoros op den grond te leggen, en aan den voet van den muur op elkander te stapelen.

Toen een fluweelen halfmasker uit zyn zak halende, bedekte hy er zyn gezicht, mede ; dezelfde voorzorg om zich onkenbaar te maken, werd ook door zijn metgezellen gebruikt; daarop begaven zij zich naar een kleine ellendige hut, op korten afstand, en drongen de zwakke deuren met hun schouders open. De bewoner der hut, op deze wijze onzacht uit zyn slaap gewekt, kwam onthutst en half gekleed te voorschijn, om te zien wie op zulk een ongewone manier op zijn deur klopte; de arme drommel stoof met een kreet van schrik terug, toen hij zulk een schaar van gemaskerden voor zijn deur verzameld zag.

Don Torribio had haast en opende het onderhoud onverwijld recht op den man af.

„Buenos nochesf goeden avond! Tio Salado," riep hij, „ik ben blyde dat ik u zoo wel zie."

De andere antwoordde, maar zonder eigenlijk te weten wat hij zeide: „Ik zeg u dank, caballero, gij zijt te goed."

Sluiten