Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

abdis te vinden, daar het don Torribio voorloopig slechts te doen was om deze te spreken.

Dit scheen voor de bandieten inderdaad een onoverkomenlijk bezwaar, want ofschoon zy zich door list van het gebouw hadden meester gemaakt, waren zij met de inrichting er van volstrekt onbekend. Op het oogenblik echter dat zij de hoop begonnen te verliezen, gebeurde er iets, dat als natuurlijk gevolg hunner onwelkome tegenwoordigheid, hun plan deed gelukken.

De bandieten hadden zich namelijk als een losgebroken stroom over de binnenplaatsen en in de gaanderyen verspreid, zonder zich in het minst om de gevolgen van hun woesten inval te bekommeren terwijl zij schreeuwden en raasden als bezetenen ; geen schuilhoek hoe verborgen of heilig ook, lieten zij onbezocht; de eenige regel dien zij hierin eerbiedigden was dat zy te werk gingen volgens het bevel van hun chef.

De kloosterzusters, steeds gewoon aan de diepste stilte en rust, werden natuurlijk door het helsche lawaai dat de bandieten maakten uit haar slaap gewekt, en dachten eenige oogenblikken niet anders of er had een aardbeving plaats; op het eerste gerucht verlieten zy hare legersteden en cellen, en namen in alleryl en half gekleed, als een troep verschrikte duiven, schreeuwend en gillend de vlucht naar de kamer der kloostervoogdes.

De kloostervoogdes, niet minder verontrust dan hare onderhoorigen en even onbekend met de oorzaak van het nachtelijk alarm, opende terstond hare deur, en verzamelde de verschrikte nonnen rondom zich en zich thans aan het =hoofd van den troep stellende, trok zij onverschrokken naar de binnenplaats waar het ergste rumoer gehoord werd en trad het gevaar moedig tegen, in het volle bewustzijn van hare macht en leunende op haar staf als abdis. Nauwelijks echter ontwaarde zij de bende gemaskerde bandieten, die als duivels, huilend en schreeuwend en met allerlei soort van wapenen zwaaiend rondliepen, of de moed ontzonk haar. Maar eer zij nog een kreet geuit of een woord gesproken had, snelde don Torribio naar haar toe en riep:

„Stel u gerust, mevrouw, en maak geen misbaar; wij zijn hier niet om u kwaad te doen; integendeel, wij komen om het kwaad te herstellen dat gy' zelve bedreven hebt."

Stom van verbazing en schrik, bij het gezicht, van zoovele gewapende en gemaskerde mannen, stond daar de talryke vrouwenschaar als aan den grond geworteld.

, Wat wilt gy van mij ?" vroeg de abdis met bevende stem.

„Dat zult gij aanstonds vernemen," antwoordde de chef en zich thans tot een zijner onderhoorigen wendende, zeide hij: „Breng mij de gezwaveld" lonten."

De bandiet bracht hem zwijgend wat hy' verlangde.

„Hoor mij thans met aandacht, Senora," vervolgde hij. „Gisteren is een der nieuwelingen uit uw convent, die eenige dagen geweigerd bad den sluier aan te nemen, hier plotseling gestorven."

De abdis wierp een gebiedenden blik om zich heen, en wendde zich toen tot den spreker.

„Ik weet niet wat gij daarmede zeggen wilt," antwoordde zy onverschrokken.

„Zeer goed, dat antwoord is juist zoo als ik het van u verwachtte. Ik

Sluiten