Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorlogspad volgen; de Comanchen zijn mannen, de woorden die hun mond uitblaast komen voort uit hun hart."

„Ik -zeg u dank, hoofdman," hernam Loer-Vogel, met warmte de hand drukkende die de Roodhuid hem toestak, „dat de Waconda!: u behoede terwijl gij op weg zijt 1"

Na in der haast een stuk gebraden wild genuttigd en een teug pulque gedronken te hebben, van welke laatste alleen de Roodhuid zich onthield, daar hij tot den stam der Comanchen behoorde die geen sterken drank drinken, namen de vier mannen afscheid van elkander; Ruperto en de Vliegende-Arend gingen gingen met de Wilde-Roos in westelijke richting de prairiën in, terwijl Loer-Vogel en Vrij-Kogel, een weinig links afgaande, oostwaarts trokken, om het veer del Rubio te bereiken, waar de eerstgenoemde gewacht werd.

„Hm! ik geloof dat wij een moeilijke taak op ons genomen hebben," merkte Vrij-Kogel aan, terwijl hij zijn geweer onder den linkerarm nam en wegging met dien veerkrachtigen stap die den echten woudlooper kenmerkt.

„Wie weet, goede vriend," antwoordde Loer-Vogel op min of meer bezorgden toon. „In elk geval - zullen wij een gewichtige waarheid gaan ontdekken."

„Zoo denk ik er ook over," zeide de ander.

„Een ding- is er wat ik vooral zou willen weten."

„En dat is?"

„Wat er toch in die dicht gesloten palankijn van don Miguel schuilt." „Pardi! een vrouw, zonder twijfel." „Wie heeft u dat gezegd ?." „Niemand, maar ik vermoed het."

„Laten wij niet vooruitloopen, vriend ; met den tijd zal alles zich ophelderen."

„God geve het!"

„God ziet en weet alles, vriend. Geloof dus maar, als het Hem behaagd heeft in onze harten de vermoedens te wekken, die ons op dit oogenblik verontrusten, dan is het, zooals ik u daar even reeds gezegd heb, omdat Hij ons tot werktuigen zijner gerechtigheid wil maken."

„Zijn wil geschiede 1" antwoordde Vrij-Kogel eerbiedig zyn muts afnemende : „Ik ben bereid tot alles wat God van mij eischt."

Na deze ernstige gedachtenwisseling volgden de jagers, die tot hiertoe naast elkander waren voortgestapt, de Indiaansche gewoonte en liepen den een achter den ander, om de moeilijkheden van den weg beter te vermijden.

Toen zij het bosch door waren en aan het hooge prairie-gras kwamen, bleven zij een oogenblik staan om naar de zon te kijken. „Het is reeds laat," zei Loer-Vogel.

„Ja," zei de andere, „het is bij twaalven; volg mij dus, wij moeten den verloren tijd weder zien in te halen." „Hoe zoo ?"

„In plaats van te loopen, zouden wij kunnen rijden, wat dunkt u?" „Ja, als wij maar paarden hadden." „Die wilde ik u juist te bezorgen." „Hebt gij dan paarden ?"

Sluiten