Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grond neder, wikkelde zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat alle dingen in volkomen orde waren.

Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door het minste gedruisch gestoord werd.

Opeens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht op zyn schouder gelegd.

De Mexicaan staarde den man aan, die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der reeds verbleekende sterren .herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met het oogmerk om te kunnen praten, zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.

„Welnu, 'wat hebt gij mij te vertellen ?" vroeg don Stefano, toen de mesties hem een wenk gaf dat hij spreken kon.

Domingo, op bevel van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknopt alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg deze hem : „Is dat alles ?"

„Alles," antwoordde Domingo.

Don Stefano haalde zijn beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid.

„Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen ?" vroeg de Mexicaan. Domingo bedacht zich een oogenhlik.

„Ja, wacht 1 dat zou ik bijna vergeten," zeide hij, „de jager heeft mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten." „Weet gij ook de reden van die waarschuwing.

„O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij den karavaan te voegen, aan het veer del Rubio,"

Op dit bericht fronste de Mexicaan de wenkbrauwen.

„Weet gij dat zeker?" vroeg hij.

„Hij heeft mij zoo gezegd."

Er volgden eenige seconden stilte.

„Goed," zeide don Stefano een oogenblik later; „heeft de jager u niets anders gezegd?" „Niets"

„Zoo 1" bromde de Mexiaan, „enfin, dat maakt weinig uit;" thans den Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen.

„Nu dan," vervolgde hij met nadruk op ieder woord, „onthoudt dit: Gij kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen."

„Gij kunt er op rekenen, Senor."

„Ik reken er op, hoor I" herhaalde de Mexicaan met een stem die Domingo, hoe dapper hij ook wezen mocht, inwendig deed sidderen; „denk aan den eed dien gij mij gezworen en de verplichting die gij jegens mij op h genomen hebt."

„Ik zal er aan denken."

Sluiten