Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella.

Op dit signaal werden op korten afsstand van het vuur de takken van het kreupelbosch voorzichtig uiteengeschoven en trad een man te voorschijn.

Na vooraf een bespiedenden blik in 't rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan. Die man was don Stefano Gohecho. „Wel ?" vroeg hy.

„Heeft myn vader alles verstaan 1" vroeg Addick op vragenden toon. „Alles."

„Dus behoef ik myn vader niets te zeggen ?" „Niets."

„Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader ?"

„Wat tusschen ons is afgesproken. Zyn de krijgslieden van den hoofdman gereed ?" „Ja."

„Waar zyn ze ?" „Op de aangewezen plaats." „Goed laat ons vertrekken." „Ja, vertrekken wij."

De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig om elkander te begrijpen. ^ „Komt 1" riep don Stefano met luider stem.

Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschyn.

„Ziedaar hulptroepen, ingeval uw krijgslieden te kort schoten," zeide hy, zich naar het opperhoofd wendende.

Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde meesmuilend:

„Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man ?"

„Hij is een man die honderd waard is I" hernam don Stefano, op een toon van zekerheid, die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf.

Thans reden zij weg. —

Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hy was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm die met iedere minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats te zoeken. Onder het voortryden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven; het was hem alsof er achter de bestudeerde houding van den Indiaan een duister verraad schuilde: hy herrinnerde zich thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had 1 Hy beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zyn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijn ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den Indiaan te verlaten.

Sluiten