Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opperhoofd een vuur aangelegd, om andere reizigers die toevallig hierlangs mochten komen, door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze hoop niet heeft teleur gesteld, daar gij gekomen zijt."

„En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is,"antwoordde don Mariano met geestdrift; „ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, dat mij in alle opzichten toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te zijn voortgesproten."

„Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero," hervatte de jager; ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig van alles wat in de steden omgaat, alleen ben ik gewoon in iedere omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen."

„Gij hebt gelijk, want die is doorgaans rechtvaardig en goed; gij kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik .ben gereed tot alles wat gij gepast zult oordeelen."

„Ik zeg u dank; thans zgn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de bandieten, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zwaar spel te geven. , Maar wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen ons te doen staat."

Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten zeggen ; eenige minuten daarna lagen hij en zijn beide kameraden in een diepen en verkwikkenden slaap.

Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt.

„Het is tijd," zeide hij.

Zij stonden op. Een paar uur rust had hunne krachten geheel hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd.

Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don Stefano, zeiven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren evenals hunne metgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlucht.

Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra rij begrepen dat de afloop geen twijfel meer overliet.

Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel en rijn vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp te brengen, of gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever naar een kleine open plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen.

Nauwelijks echter werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis.

„Don Stefano Cohecho I" riep Ruperto uit.

„Myn broeder 1" riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid vermengd.

Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij wat er intusschen aan de overzijde plaats had.

Sluiten