Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standhouding; maar toen de jonkman tot de zonderlinge ontknooping genaderd was van het gevecht, waarin hij, op het punt van het onderspit te delven, eensklaps door drie onbekenden werd bijgesprongen, die terstond daarna als met een tooverslag weder verdwenen waren, gaven de jagers teekenen van de grootste verbazing.

„Zie daar wat ik weet," vervolgde don Miguel, „van de verfoeilijke hinderlaag waarin ik gevallen was en waarvan ik zeker het slachtoffer zou geworden zijn, zoo gij niet nog in tijds waart toegeschoten om mij te redden. Thans weet gij alles zoo goed als ik, wat dénkt gij er van?"

„Hum 1" riep de jager, „dat ziet er al zeer buitengewoon uit, inderdaad er schnilt achter deze historie een samenspanning, die met veel beleid en met duivelsche list en kwaadaardigheid schijnt te zijn aangelegd; het is waarlijk om bang van te' worden. Ik koester zékere vermoedens, die ik vooraf tot klaarheid moet brengen; ik kan u dus niet dadelijk mijn meening zeggen. Inzonderheid moet ik sommige zaken zien op te sporen; laat dat maar gerust aan mij over. Slechts één vraag nog: Die mannen, die u te hulp kwamen, hebt gij die ook gezien? Hebt gij niet met hen gesproken ?"

„Gij vergeet," antwoordde don Miguel glimlachend, „dat zij midden in den strijd opdaagden, alsof zij door den storm, die op dat oogenblik hevig woedde, werden aangevoerd. Het zou een ongeschikt oogenblik zijn geweest om een gesprek te beginnen.'

„Dat is waar, ik doe een dwaze vraag," zei de jager, „maar," vervolgde hij, met de kolf van zijn geweer op den grond stampende, „het ga zoo het wil, ik moet er het mijne van hebben; ik verzeker u, dat ik, spoedig zal weten wie uwe vijanden zijn, welke voorzorgen zij ook nemen om zich te verbergen."

„O, ja, het is ook stellig mijn plan om hen na te zetten, zoodra nujn krachten een weinig hersteld zullen zgn."

„Gij, caballero," antwoordde Loer-Vogel droog, „gij gaat stilletjes naar uw kamp om u te laten genezen. Zoodra gij daar zijt, zult gij er u opsluiten als in een vesting, en geen voet verzetten eer gij mij hebt wedergezien.

„Hoe zoo. wedergezien ?" herhaalde don Miguel; „denkt gij mg dan te verlaten ?" ..

„Voor het oogenblik ja, Vrij-Kogel en ik zullen u verlaten; als wg bij u bleven, zouden wij u van geen nut zijn, terwijl wij u buitenaf groote diensten kunnen bewijzen."

„Wat wilt gij gaan doen?"

„Als wij terug zijn zult gij alles weten."

„Ik. kan bezwaarlijk in zulk een onzekerheid blgven en behalve dat, ik begrijp u niet." ..

„Het is toch duidelijk genoeg. Ik wil, met medehulp van Vrg-Kogel, dien don Stefano het masker aflichten, een masker waar mgns inziens een zeer leelgk gezicht achter schuilt; ik moet weten wie die man is en waarom hij. zich tegen u zoo verbitterd toont."

„Ik zeg u dank, Loer-Vogel; nu ben ik gerust. Ga heen en doe wat gij" goedvindt, ik ben overtuigd dat alles wat menschelijkerwijs mogelgk is, door u zal gedaan worden; alleen moet gij mij één ding beloven eer gg vertrekt."

„Wat ?"

Sluiten