Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Met al mijn hart," antwoordde de Canadees.

„Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde ; „en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel "

„Dat is waar," zeide Ruperto.

„Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelyk eenige wrok of vijandschap koesteren."

„Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst," zei Loer-Vogel.

„Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel onbekend is."

„Dat alles is juist."

„Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als het ware in 't wild opgroeien."

„Wij zijn geen bandieten, maar rechtschapen en eerlijke jagers."

„Des te meer reden waarom ik opnieuw de vraag tot u richt: ben ik uw gevangene, ja of neen ?"

„De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons zeiven u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten of gij sedert uw komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?"

„Ik ?"

„Wie anders als gij ? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag'af te wachten en onverhoeds op het lijf te vallen ?"

„Ja, maar die man is myn vijand."

„Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wy' vrienden zyn van dien man ?"

„Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn."

„Waarom niet; wat geeft u grond om dit te veronderstellen ?"

Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.

„Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gy u verbeeldt my met zulk een uitvlucht te kunnen afschepen."

„Het is intusschen geen uitvlucht, zoo als gij het gelieft te noemen."

„Een mooie zaak! Als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zyn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan my te wreken, ten overstaan der bandieten die hij onder zijn bevelen heeft, en voor welken myn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden."

De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half ernstig half lachend gezicht het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.

„Luister," zeide hij, „en doe uw voordeel met hetgeen gy hooren zult: gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in 't minst niet verschalken; wy weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd ; de raad dien ik u geef is oprecht en heeft ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, maar gij zijt evenmin vrij."

Sluiten