Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dood te verlangen I Alles ging geheel naar mijn wenschen, zonder dat ik mij met iets had te bemoeien; mijn schoonzuster stierf; haar dood kwam mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren had gehad; men beschuldigt mij haar vergiftigd te hebben, dat is valsch ; misschien is zij vergiftigd, ik zal het tegendeel niet beweren; maar in dat geval zou men mijn tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had ; hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dat is intusschen niet te verwonderen, daar zijn ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijn nicht in het klooster menigmaal t bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den sluier aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens dat ik mij over niets behoefde -te verontrusten ; ik liet dus de zaken loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeien. Op den dag toen mijn nicht hare gelofte zou doen, begaf ik mij naar het klooster; toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was ; op het oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er een non aan mijn hotel, om mij te zeggen, dat myn nicht, tengevolge van een hevige scène die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling een hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijn kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en onherstelbaar verlies dat hem. getroffen had ; terwijl ik hierover nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde een of andere misdaad."

„Om zekerheid te erlangen, ging ik met het eerste morgenlichten naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe onaangename verrassing; de gansche zusterschap was in rep en roer, schrik en verslagenheid lag op aller aangezicht; gedurende dien nacht was er een troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijn nicht uit haar graf hadden opgelicht en medegenomen, en. tegelijk een der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat ik mij niet vergist en dat er een misdaad moest hebben plaats gehad, sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden en bedreigingen gelukte het mij haar de waarheid af te persen ; mijn afgrijzen kende geen grenzen,-toen ik vernam dat mijn nicht werkelijk levend was begraven geworden. Nu schoot mij niets anders over dan het vervullen van een enkele .plicht, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag tegen deze moeilijke taak niet op, twee dagen daarnaljwas ik reeds op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid ; mijn gedrag is, ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig."

De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er niet het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijn toehoorders van zijn onschuld te hebben overtuigd.

Sluiten