Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O I niet zulk een barbaarsche straf als ik u bidden mag! Doodt mjj liever opeens."

„Gij zijt gevonnist, en gij moet uw straf ondergaan zooals zij is uitgesproken," antwoordde de oude jager droogjes.

„O 1 geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij opeens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken."

„Wij wreken ons niet; wij voor ons zeiven hebben niets met u te maken ; dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken."

„O I gij zijt onverbiddelijk," riep hij, zich op den grond werpende, waar hij in machtelooze woede rondkroop.

„Wij zijn rechtvaardig," was al wat Loer-Vogel hem antwoordde.

Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling, vloog eensklaps op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt hoofd naar een boom. met het oogmerk om zich de hersenen tegen den stam te verbrijzelen ; maar de Gambucinos waren er nog bijtijds bij en beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en Woest geschreeuw, knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat was een lid te bewegen.

Nu ging zijn woede in radeloosheid over.

„O I" riep hij, „als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden ! O mijn God ! . .. O Mariano ! help mij, help mij I" Loer-Vogel trad naar hem toe.

„De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk neerlaten," zeide hij; „hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen ?"

„Blijft het dan nog bij die gruwzame straf?" vroeg hij verwilderd. „Wel zeker."

„Maar dan zijt gij wilde beesten." „Wij zijn uw rechters."

„O, laat mij leven, al was het maar voor één dag." „Gij zijt gevonnist."

„Dan vervloek ik u ! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt moordenaars 1 Welk recht hebt gij om mij te dooden ?"

„Hetzelfde recht dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten ?"

Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijn koorstachtig brandende oogen, en prevelde hij met een zwakke stem, op roerenden toon:

„Ach mijn zoontjes, mijn arme lievelingen, wat zal er van u worden als ik er niet meer ben ?"

„Laten wij er een eind aan maken," hervatte de jager.

Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik.

„Ik heb twee zonen," zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in een droom spreekt; „zij hebben niemand dan mü, en ik helaas zal sterven 1 Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt en zweer mij dat gü doen zult wat ik u vraag I"

De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking.

„Ik zweer het u," zeide hij.

De veroordeelde scheen rijn gedachten te verzamelen.

Sluiten