Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geef mij papier en een potlood," riep hij met een gebroken stem.

Loer-Vogel haalde de brieventasch te voorschijn, die hg nog bg zich had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood.

Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zgn portefeuille, hij nam het papier en schreef in der haast een paar regels, waarna hij het blad dichtvouwde en het den jager terug gaf.

Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde een merkbare verandering, zjjn trekken werden kalmer, en zijn blikken zacht en smeekend.

,,Ziedaar," zeide hij, „ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is aan mijn broeder gericht, aan hem beveel ik mijn kinderen, het is om zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood 1 zoo zij maar gelukkig zijn, zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand."

„Binnen een uur zal het in zijn handen zijn, dat zweer ik u."

„Ik zeg u dank; doe thans met mjj wat gij wilt, er is weinig aan gelegen ; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat ik wenschte."

De kuil is gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden hem er in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen weerstand te bieden; toen hij recht op in den kuil stond, kwam de rand hem tot onder de okselen ; zijn rechterarm werd stijf langs zijn lichaam vastgebonden en de linker vrijgelaten ; daarop begon men de kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, die reeds niet meer scheen dan een lijk.

Nadat de kuil gevuld was nam een der Gambucinos een sjerp en naderde de veroordeelde.

„Wat wilt gjj gaan doen V* vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel half raden kon wat er gebeuren zou.

„U een doek in den mond stoppen," antwoordde de bandiet barsch. „O I" riep don Estevan.

Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men hem deed; hij was geheel machteloos.

Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig saamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte zich het hoofd.

„Don Estevan 1" zeide hij met een diepe, ernstige en plechtige stem, „de menschen hebben u veroordeeld; bid God, dat Hij zich over u ontferme; ge hebt althans geen andere hoop meer dan op Hem I"

De jagers en de Gambucinos stegen weder te paard, zij bluscbten hunne fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van het geboomte.

De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zgn knagend geweten met akelige spoken vervulde.

Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde.

Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die zich langzaam verwijderden, bleef er een dwaze hoop op redding in zijn ziel leven, hij wachtte, hij hoopte.

Wat wachtte hij ? wat hoopte hij ? Hij zelf wist het niet, hij had het u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch.

Altaard. Spoormaker. 6a dr. 9

Sluiten