Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij I" riep don Mariano met een gebaar van gemengde vreugd en verbazing." „Mijn God I dus is zij gered en in veiligheid."

„Ja," zei don Miguel, „in een plaats waar ik zelf, geholpen door LoerVogel, haar verborgen heb." r

„Daar zou don Estevan haar niet licht gevonden hebben," meesmuilde de jager met een schalkschen lach.

Don Mariano werd door de hevigste aandoeningen geslingerd, en was zich zelve niet langer meester.

„Waar is zij ?" riep hij, „ik wil haar zien; zeg mij waar ik haar vinden kan, mijn arm dierbaar kind!"

„Gij begrijpt wel," hernam de jonkman," „dat ik haar met bij mij kon houden, ik wist dat de spionnen van don Estevan en uw broeder zelf al myn gangen bespiedden en mij ten bloede toe vervolgden. Na dus dona Laura in veiligheid te hebben gebracht beijverde ik mij om de spionnen van 't spoor te helpen. Ik zal u zeggen hoe mij dit gelukt is. Ziet gy de palankijn," vervolgde hij er met den vinger naar wyzende, „daar werd dona Laura in vervoerd, tot aan het presidio de Tubac, maar verder niet. Gedurende de eerste dagen mijner reis maakte ik er geen geheim van en liet haar met opzet eens of tweemaal zien, meer was er niet noodig om het gerucht te verspreiden dat ik haar altoos bij mij had. Dank zy de voorzorg die ik later gebruikt heb, om de palankijn zoo dicht mogelijk gesloten te houden en door niemand te laten naderen, wist ik uwe vijanden te verlokken mij in de prairie te vervolgen, om hen aldaar te straffen; mijn berekeningen zijn beter uitgekomen dan die van don Estevan en onder Gods zegen met een gelukkig gevolg bekroond; thans, nu de misdadiger gestraft is, en dona Laura niets meer te vreezen heeft, ben ik bereid u hare schuilplaats te doen kennen en u er heen te leiden."

„O, genadige hemel 1 gy zyt rechtvaardig en goed," riep don Mariano, schier uitgelaten van blydschap. „God zij gedankt, ik zal mijn kind wederzien, zy is gered."

„Neen 1 zij is verloren, als gij u niet haast I" klonk op eens eene hólle stem als uit het graf.

De drie mannen keerden zich verschrikt om.

Daar stond Vrij-Kogel 1 met een bleek en bebloed gezicht, verscheurde en met bloed bevlekte kleederen, recht op en onbeweeglyk, onder het opgeheven gordijn aan den ingang der tent.

XXIII.

DE VLIEGENDE AREND.

Ten gevolge hunner levenswijs en de opvoeding die zy ontvangen, zyn de Indianen zeer wantrouwend van aard; steeds verplicht om op hunne hoede te zyn tegen alles wat hen omringt en gewoon om zelfs de blijkbaar eerlykste bedoelingen te verdenken, als verschool zich overal list en verraad,

Sluiten