Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zullen wij hen daar volgen ?"

„De Vliegende-Arend verlaat nooit zonder reden het spoor door zijn mocksens gebaand; en de Witte-Roos zal den krijgsman vergezellen." „Zou mijn vader hier aan twijfelen ?"

„Néén, want de Wilde-Roos is een waardige dochter der Comanchen ; zij zal medegaan, zonder murmureeren. Er is op het oogenblik een bleekgezicht in gevaar, een vriend van Machsi-Karehde."

„Het opperhoofd zal hem wel redden," riep zij.

De Roodhuid glimlachte.

„Ja," zeide hij; „of zoo ik te laat mocht komen, zal ik hem ten minste wreken, en dan zal zijn ziel opspringen van vreugd in de Prairiën der gelukzaligen als hij van zijn volk verneemt dat zijn vriend hem niet vergat."

„Ik ben bereid het opperhoofd te volgen."

„Laten wij dan vertrekken, want het is tijd."

De Indiaan was met een sprong in den zadel en de Wilde-Roos hield zich gereed om hem te voet te volgen.

De Indiaansche vrouwen bestijgen nimmer het oorlogspaard van hare mannen of broeders. Tengevolge der strenge wetten bij deze volken in zwang, zjjn de vrouwen, als onder een ijzeren juk, gebogen onder de diepste vernedering en gedwongen tot den zwaarsten en moeiehjksten arbeid, dien zij zonder morren verrichten, wel overtuigd dat het zoo wezen moet en dus niets haar zou kunnen onttrekken aan de onverbiddelijke dwinglandij die van hare geboorte tot den dood op haar drukt. De Vliegende-Arend, terwijl hij de vrouw die hij lief had noodzaakte hem te voet te volgen door een natuurwoud en langs een ongebaanden weg, des te moeielijker nog door de nachtelijke duisternis, hield zich volkomen overtuigd dat hij hierin geheel naar behooren te werk ging; de Wilde-Roos, op hare beurt, wist niet beter of dit was iets dat van zelve sprak, en veroorloofde zich niet de minste aanmerking.

Zij gingen dus op weg en de rivier den rug toekeerende trokken zij in de richting van het ons reeds bekende open graskamp.

Met welk doel keerde nu het opperhoofd terug naar dezelfde plek, die hij pas een uur te voren verlaten had om de Gambucinos te ontwijken ?

Dit zullen wij spoedig zien.

Op ongeveer honderd ellen van het open kamp hoorden zij het knallen van een vuurwapen. De Vliegende-Arend bleef staan.

„Ooah 1" mompelde hij, „wat is dat ? zou ik mij vergist hebben ?"

Onmiddellijk afstijgende, gaf hij zijn paard aan de Wilde-Roos ter bewaring en gebood haar om hem in de verte te volgen. Hij sloop zoo snel hij kon door de struiken naar het graskamp, ongerust over het gevallen pistoolschot, dat hij niet wist waaraan toe te schrijven, daar de gedachte dat het door Estevan kon gelost zijn, volstrekt niet bij hem opkwam. Het opperhoofd hield zich overtuigd, dat iemand van zulk een karakter nooit rijn eigen zaak zou laten varen hoe hopeloos zij ook staan mocht. Ofschoon hij zich hierin vergiste, was rijn veronderstelling toch niet zoo geheel bezijden de waarheid.

Door bovenstaande denkbeelden bezield en vreezende dat er eenig ongeluk kon gebeurd rijn, haastte de Vliegende-Arend zich om zoo spoedig mogelijk het kleine kamp te bereiken, ten einde de onzekerheid op te helderen, en

Sluiten