Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIV.

QUIEPA TANI.

Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, die door Mon Miguel aan zijn zorg waren toevertrouwd, op weg gingen naar de stad QuiepaTani.

Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar dona Luisa Het weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee in zijn schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, dat hij zich niet verzadigen kon van hun aanblik; ter sluiks beschouwde hij haar met die schier uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van hun eigen stam.

Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit wellicht een gevolg van de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen samensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken ? Wie weet dit ? Maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts weinig Spanjaarden in de zuidelijke staten van Noord-Amerika worden gevonden die ten minste niet eenige druppels Indiaansen bloed in hunne aderen hebben.

Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee gevangenen — want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af dat zij onder rijn hoede waren geplaatst, — had eerst gedacht om ze naar rijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke der twee hij zijn keus zou vestigen. Verschillende redenen deden hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand tusschen hem en rijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, daar zij zeker tegen de tallooze vermoeienissen van zulk een lange reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, terwijl hij bovendien in zijn vrije beweging werd belemmerd door de stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen.

Aldus van den nood een deugd makende, verborg hij de duistere plannen

Sluiten