Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware nagezet, de snelheid van zijn rit en de menigte door hem gemaakte omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de doorgestane angsten en vermoeienissen.

Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn paard, deed het een kluister - aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, begon hij na te denken.

Zgn toestand was ver van aangenaam; zoo geheel alleen, bijna zonder wapens, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zgn kleur te ontvluchten, en verplicht om alleen op zich zelve te rekenen, tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er gebeuren kon I

Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een sterker gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en ongehoorde vermoeienissen die hij gedurende den afgeloopen nacht had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat van stompzinnigheid en onmacht, dat hij geheel ongevoelig werd voor de buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede uit zijn oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in de gedachte — die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden.

Sedert geruimen tijd zit de Mexicaan reeds met den elleboog op de knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en Verschrikt opstond.

Een hand was hem zacht op den schouder gelegd.

Hoe licht de aanraking mocht geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan te wekken en tot het besef van zgn tegenwoordigen toestand terug te brengen.

Hij keek op.

Er stonden twee Indianen bij hem.

Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf.

Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden zgn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te ontmoeten.

Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen ontmoeten die men zoekt ? Addick staarde hem aan met een spotachtigen blik.

„Ooah I" riep hij, „mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; hij is zeer vermoeid naar het schijnt."

„Ja," zei don Estevan.

Sluiten