Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet licht verwonderde of van vervaren wist, ontroerden echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk.

Vrij-Kogel stond nog altoos even stom en onbewegelijk.

Don Miguel was de eerste die zijn tegenwoordigheid van geest terug kreeg en macht genoeg over zich zeiven bekwam om den gewonden man te ondervragen.

„Wat schort u, Vrij-Kogel ?" vroeg hij met een stem die hij te vergeefs ferm poogde te houden, „welk noodlottig bericht schijnt gij ons te komen brengen ?"

De Cadadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in 't rond te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met een doffe en onduidelijke stem te antwoorden:

„Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen I"

Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande echter zijn ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht van onderwerping:

„Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij kunnen niét anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren n aan."

Vrij-Kogel aarzelde opnieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn gelaat; maar hij deed een uiterste poging en sprak:

„Ik heb u verraden, lafhartig verraden 1"

„Gij I" riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de schouders ophalend. „Ja, ik 1"

Deze twee woorden werden uitgesproken op beslisten toon, als door iemand wiens voornemen vast staat, en zich ridderlijk verantwoordelijk stelt voor een daad die hij inwendig afkeurt.

De aanwezigen zagen elkander twijfelachtig aan.

„Hm 1" mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, „ik zie wel daar steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om het op te helderen," vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen ; ik weet het best hoe ik hem aan 't spreken kan krijgen."

De Mexicaan bewilligde met een stil zwijgenden wenk in dit verzoek en liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon hij zijn scherp vorschenden blik op den Canadees gericht hield.

Loer-Vogel stond op van den bisonschedel, waarop hij tot hiertoe gezeten had, trad naar Vrij-Kogel toe en legde hem de hand op den schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager.

„Mijn hemel, Vrij-Kogel 1" riep deze met een bemoedigenden lach, „ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben hooren tuiten. Zeg nuj toch eens 'mijn oude kameraad, wat is er gebeurd ? Waarom stelt gij • u zoo verschrikt aan, alsof de hemel ons op het hoofd zou vallen ? Wat beduidt dat voorgewende verraad, waarvan gij u zeiven beschuldigt en dat ik bij voorraad op mijn verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te kennen; ik zeg u, het is een besliste onmogelijkheid."

„Geef u maar niet zoo veel moeite om mijnentwil, mijn broeder," ant-

Sluiten