Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat is te weinig," riep don Miguel.

De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeilijk Iaat beschrijven.

„Hoe minder hoe beter voor de gevaarlijke onderneming die wy beginnen," zeide hij; „onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, waar een talrijker troep het niet zou kunnen ; laat dat slechts aan mij ov«Jr."

„Ik heb er nog maar een paar woorden by te voegen."

„Spreek." j. r,

„Ik hoop dat gij slagen moogt."

De Canadees glimlachte opnieuw, maar ditmaal met een medelijdenden blik. „Ik zal slagen I" antwoordde hij, terwyl hij met kracht de hand drukte, die zyn vriend hem toestak.

De beide mannen hadden elkander begrepen. Don Leo ging nu de tent uit.

Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen druk aan 't werk »om de verschansingen te slechten en af te breken, de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; kortom, ieder maakte zich gereed tot een overhaast vertrek.

„Heb ik u niet hooren zeggen," vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden kameraad, „dat gij door den Vliegenden-Arend zijt geholpen ?"

„Ja," zei Vrij-Kogel.

„Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden 1"

„Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zyn vrouw ook."

„God zij geloofd 1 die zal my in myn onderneming kunnen bijstaan ; hij is een dapper en beproefd krijgsman; zyn hulp is, zoo ik meen, voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij ?" .

„Hier dicht bij, gaan wij samen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets te zeggen."

De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zy den VliegendenArend voor zijn vuur zitten, bedaard zijn calumet rookende; de Witte-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijn minste wenken te letten.

Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legde hij zyn pijp neer en groette hen beleefd.

Vry-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen had om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zyn vlucht had nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen om zyn vijand verder op te sporen en na te zetten.

Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare zelfvoldoening:

„Ha I ha 1 met deze terechtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn spoer wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige."

Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden arend nedergezet.

„Blijft mijn roode broeder nog altijd by zijn voornemen om naar zyn stam terug te keeren ?"

„De Sachem is reeds sedert lang afwezig," antwoordde de Indiaan; „zyn kinderen verlangen zeer om hem weder te zien."

„Goed I" zei de jager, „dat behoort ook zoo; de Vliegende-Arend is een beroemd opperhoofd, zijn kinderen hebben hem noodig."

„De Commanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de afwezig-

Sluiten