Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij hebt gelijk, hoofdman; keeren wij naar de grot terug; onze maatregelen moeten met het meeste beleid overwogen en vastgesteld worden, om, wanneer het oogenblik daar is, geen fout te begaan die den uitslag van onze onderneming in gevaar zou brengen."

De Comanch boog toestemmend en ging zyn kameraden vooruit naar de grot. Het vuur was nog niet geheel uitgedoofd, maar smeulde onder de asch; in weinige oogenblikken vlamde het weder op; en de vier personen hurkten er met deftigen ernst omheen.

Nu nam het opperhoofd de calumet uit zyn gordel, stopte haar met gewyde tabak, stak haar aan, en gaf haar toen, na eerst zelf eenige trekjes gedaan te hebben, aan Loer-Vogel. Zoo ging de pijp eenige keeren rond, zonder dat er een woord gesproken werd, zoolang tot de tabak geheel was opgebrand. Toen er niets meer overbleef dan de asch, klopte de Sachem haar uit in het vuur, stak haar weder in zijn gordel en wendde zich tot den jager.

„Een opperhoofd verlangt te spreken," zeide hij.

„Dat mijn broeder spreke," antwoordde de jager met een buiging, „wij luisteren"

De Sachem, na zijn vrouw met een gebiedenden wenk bevolen te hebben den kring te verlaten en zich buiten bet bereik zijner stem te begeven, waaraan zij volgens de Indiaansche gebruiken terstond gehoorzaamde, boog eerbiedig en nam het woord.

XXIX.

DE RAAD.

Sedert het begin van den tocht, aan welken hy vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend steeds een lijdelijke rol gespeeld, zonder aanmerking of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel gevolgd, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in één woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikte, wiens plicht het medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hy hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zyn lot over te laten en zich aan hem te 'onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met een levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag.

De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na een statige buiging te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord

„Bleekgezichten, mijn waarde broeders," begon hij met zijn gewone scherpe maar sentimenteel sleepende keelstem, „sedert een maand reeds zyn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeienissen, slapend

Sluiten