Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jacht oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij in uw gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met recht aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met een dichte wolk omhuld; uw plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uw borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zooals het behoort? Is dit rechtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij .geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u té vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling ? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem besloten ; geen klacht is uit mijn hart naar mijn lippen gestegen, over een behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking waarin ik met ulieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijn vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag te mijnen opzichte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen, — hoe zou ik in staat zijn die te bezweren, als uw ontwerpen mij nog langer verholen blijven, in een woord, als ik niet weet of het pad,dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs is, of alleen der jacht ? Spreekt derhalve ronduit, rukt de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb gedaan en verklaart u omtrent het voornemen dat gij koestert en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat ben daar waar zulks noodig is, u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouw bondgenoot, niet langer buiten uw beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig aan den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijn broeders, en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan krijgslieden van uw wijsheid en van uw ondervinding."

Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en een voor de gelegenheid passende houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met een vasté stem het woord en sprak in dezer voege:

„De Wacondah is groot; hij houdt in zijn rechterhand het hart van alle menschen, van welke stam of kleur ook; hij alleen kent hun voornemens en leest in hun ziel de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van billijkheid die ik u niet zal betwisten ; gij hebt uit het gedrag dat de dmstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met recht verdient, maar dit is zoo niet; ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijn plannen bloot te leggen, maar ook om uw hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkehjk

Sluiten