Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdman," zeide hij, „gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel,^ gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank." De Indiaan wendde zich af om de lichte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zichtbaar werden, want in zijn schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijn kalmte te verliezen.

„Inderdaad," hervatte Loer-Vogel, „wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend."

De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen.

De jonge vrouw gehoorzaamde.

Nu verklaarde haar de Sachem in zijn eigen taal wat zij te doen had, terwijl zij bedeesd voor hem stond en hem met bevallige gedweeheid aanhoorde.

Toen hij haar zijn bevelen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hen met een zoeten lach en een welluidende stem:

„De "Wilde-Roos zal het weten."

Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop.

„Wees gezegend, jonge vrouw," zeide hij, „wees gezegend, om de weldaad die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt te bewijzen."

Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de VliegendeArend zijn wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in hèt bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken.

Na een buiging voor Don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot zijn stoïcijnsche koelheid ook wezen mocht, vohjde hij zijn jeugdige vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.

Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg, voordat de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezichteinder weg te zinken. Hun tocht ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, om zich in het dichte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken.

Eindelijk, na een tocht van vier dagen en ongehoorde vermoeienissen, zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizon.

Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch

Sluiten