Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun tocht geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzichtigheid voort, de Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan hunne buks, en met open oog en oor; want zoo dicht in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder eenige reden beducht, dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.

Tegen den avond van den vierden, dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten om voor den nacht te kampeeren, op een vrn ruim open veld aan den oever van een beek zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei teeken van onrust en verbazing.

„Wat is er," vroeg don Mariano oogenblikkehjk.

De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere ongerustheid: '

„Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt.

De Vliegende-Arend bukte op zijn beurt dicht bij den grond, en beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden.

Eindelijk stond hij weder op.

„Wel?" vroeg hem Loer-Vogel.

„Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag," was zijn antwoord.

„Ja," prevelde de jager; „maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij vandaan? Dat zou ik gaarne weten."

De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer nauwkeurigheid dan te voren.

„Het zijn bleekgezichten," zeide hij.

„Wat! bleekgezichten I" riep de jager, terwijl hij zijn stem voorzichtigheidshalve aanmerkelijk liet dalen, „dat is onmogeujk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek doorgedrongen.

„Het zijn bleekgezichten," herhaalde de Vliegende-Arend. „Zie slechts; hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor van zijn stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een spijker van zijn schoen een zwarte kras op dezen

„Het is waar," mompelde Loer-Vogel, „de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, hunne moeksens laten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn ? Hoe kwamen ze hier ? Welke richting zijn zij gevolgd om herwaats te komen ?"

Terwijl de jager zich deze reeks van vragen stelde en te vergeefs naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de VliegendeArend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te volgen, die hier en daar in het gras zichtbaar waren.

„Wel, hoofdman?" vroeg de jager, toen hij hem zag terugkomen, „hebt gij iets gevonden dat dat ons nader op weg kan helpen ?"

„Ooah/" riep de Indiaan hoofdschuddend, „het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf zijn."

Sluiten