Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ongeveer tien minuten nadat hij zijn kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters en struiken in het rond.

Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortocht vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.

Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een opmerkzamen blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen van het hooge gras gelyk kwam, stapte hij langzaam en voorzichtig naar een dicht kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween.

Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag ging de Comanch op de eene knie liggen, opende langzamerhand het dichte bladgordijn dat hem het uitzicht belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrischen schok opgeschrikt, rees hij overeind, bracht zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.

Wat had hij ontdekt?

In het midden van een ruim grasveld, door dne of vier houtvuren verlicht was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hun vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl' hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, hun voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden.

De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don Leo de Torres, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef voor hen staan.

„Dat de Wacondah mijn broeders bescherme," zeide hij met een statigen groet; „een vriend komt hen bezoeken." ' ...

„Hij is ons welkom," antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand

toesteken yoeg^ „vrij-Kogel er bij, „duizendmaal welkom! Zijn

tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons een aangename verrassing.'

De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken. Hoe komt het, dat w« u hier zoo ontmoeten ?" vroeg de jager.

"ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de Indiaan.

„Hoe dat?" vroeg don Leo. _

"Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt?" hernam de Vliegende-Arend. £

In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; het spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vnj-Kogel onbe-

^.Datamoet ik bekennen," riep de jager met drift, „het is nu de tweede maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde om-

Sluiten