Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bewijst thans dat hij, even goed als wij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet ondoordacht te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat wij zoo dicht in zijn nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen af, daar vérbeur ik mijn hoofd onder."

De jonkman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord, loen Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijn vorige plaats nevens hem weder in.

Ik zeg u dank, nrijn oude vriend," zeide hij, „ik dank u oprecht voor de "les die gij my gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebracht, ik was dwaas. Maar," vervolgde bij bijna oogenblikkelijk, „wat zullen wy dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?"

De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zyn calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.

Dat de blanke krijgsman moed houde," zeide hij; de Wilde-Roos der wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen de endit-ha — zonsopgang — zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen."

O! o I" riep de jonkman verheugd. „Zoodra als uw vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door een Indiaansche ctthuaU gedragen werden." .. ,

De Wilde-Roos wacht geen belooning voor den dienst dien zy aan goede

vrienden bewijst." .

„Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen met weigeren om"haar dit kleine bewijs myner erkentenis te schenken?"

„Myn broeder is vrij."

„Maar zeg mijl" opperde Vrij-Kogel op eens, „welk toeval bracht u dezen avond toch in ons kampement?"

Begrijpt gij dat niet?" ... , . •• j- u*

„Te duivel 1 neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gy zoo dicht in onze nabijheid waart." .. ..

„Dat is waar," zeide don Miguel; daar wij weten waar wy zyn, is de zaak zoo duister toch niet." , j\

„Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen vinden." WÊSi , , ,_. , . ,

„Wy hadden uw spoor ontdekt," antwoordde de Vliegende-Arend, „op

den weg dien wy volgen."

„Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen l Het opperhoofd knikte toestemmend. Ziin onze vrienden ver van hier gelegerd?" vroeg de jager. Neen," antwoordde de Indiaan; „ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezichten zullen zich wel ongerust maken.

Ik,,Eeneowenbhk nog," riep Vrij-Kogel. „Daar het toeval ons bij elkander bracht, moesten wij, dunkt my, niet weder scheiden; wy zullen elkander wellicht spoedig 'noodig hebben."

Sluiten