Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Sachem werd thans met zijn schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit kompliment met zijn gewone nederigheid en kalmte.

„Ooah!" antwoordde hij, „die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der GdVnanchen is genoeg om er zesmaal tien van hen te dooden, en nog twintig bovendien."

Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.

„Maar," riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, „wat hebben we daar ? Ha ha ! onze vluchteling, als ik het wel heb."

Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had — huilde hij van pijn, zonder verder te willen antwoorden.

„Het zou een weldaad voor hem zijn," zei don Mariano, „als wij dien ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen."

„Niet al te voortvarend," opperde de onverbiddelijke jager, „alles op zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is."

„Ja, dat is van het hoogste belang," stemde don Miguel hem toe.

„De Wacondah zelf heeft dien man in mijn handen geleverd," antwoordde het opperhofod met nadruk. „Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minst op verdacht was, door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende ; hij schoot zijn erupha — geweer — op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik antwoordde hem op dezelfde wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddellijk den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijn vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd."

„Bij den hemel 1 dat moet gezegd worden," riep de jager vol geestdrift uit, „gij zijt een dapper krijgsman 1 wat gij gedaan hebt is schoon I De ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug met het oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.

„Het zij zoo 't wil," zeide don Mariano, „hij is nu weder terug gevonden en alles is goed afgeloopen."

De gewonde deed een hopelooze poging om zich op te richten, en, zooveel mogelijk op zyn rechterhand geleund, riep hij met een akeligen grijnslach om de lippen:

„Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven." „Wat zegt gij daar, ellendige ?" riep don Mariano. „Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te verijdelen."

„Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt."

„Gij hebt mij mets gedaan," antwoordde Domingo met een duivelschen

Sluiten