Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En wie zijn die twee mannen?" „Gij kent hen maar al te goed." „Hoe heeten zij dan ?" „De Roode-Wolf en Addick."

„Ooah 1" .riep de Vliegende-Arend, „wees op uw hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen."

„Dat weet ik; maar kan ik mij daartegen verzetten ? Ben ik alleen sterk genoeg om bun invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen ?"

„Dat is zoo," antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten ? ... "

„Er zou misschien een middel op zijn," riep Atoyac op slependen toon, na een poosje zwijgens.

„Welk ?"

„Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk ?" „Wat meer?"

„Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het recht om in den raad zitting te nemen." „Dat heb ik."

„Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen ?"

De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek met een onverschillig gericht had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijn gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige in den raad hangende geschillen voor hem van bet grootste gewicht waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij rich langer aan het gesprek bleef onttrekken, dit in de oogen van zyn gastheer licht een laakbare onverschilligheid voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:

„Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet.de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de gewichtigste levensvragen voor het roode ras in 't algemeen ; door rich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hun plannen door te drijven en regeeringloosheid te bevorderen."

„Zoudt gij dat denken ?" vroeg de Vliegende-Arend, die rich hield alsof hij aarzelde.

„Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken," hervatte Atoyac met drift, „hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar zijn tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zyn wegblijven uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken."

„Wanneer het er zoo mede gelegen is," antwoordde de Comanch, „verzet ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen."

Sluiten