Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk."

„Hoedat I" riep de jonkman met een zweem van ongeduld, dien hij niet geheel kon verbergen.

„De wet luidt stellig: „de toegang tot het paleis der Zonnemaagden is den mannen verboden."

„Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezichten die ik hier heen heb gebracht."

„Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist."

„Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom mij de .gevangenen niet zouden worden teruggegeven."

„Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst Gedwongen door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijn gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer dat ik zoo gehandeld heb, maar hét is te laat; al zou ik het willen veranderen, ik kan niet."

Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen geestelijken kwakzalver, die hem op zijn huichelachtige en zoetsappige manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester — en waarschijnlijk ook voor hem zeiven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming niet ongestraft zijn gebleven — weerhield hij zich.

„Maar ik bid u er om," hervatte hij een oogenblik daarna, „mijn vader is goed, en hy zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen ?"

De opperpriester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijn blikken en wachtte zijn antwoord af.

„Ja," hervatte hij eindelijk, „er is misschien een middel." ' „Welk ?" riep de jongeman verheugd; „laat mijn vader het noemen; spreek." •

„Het is dit," antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder woord, en met schijnbaren tegenzin; „gij zoudt van den grooten raad een volmacht moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen."

Ooahf daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan mg die volmacht verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal mij zeker niet worden geweigerd."

„Ik help het u wenschen," zei de priester, op een toon die den jongeman veel stof tot nadenken gaf.

„Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren?" vroeg hij.

„Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten der opperhoofden in zijn rechterhand. Hij alleen kan die te uwen gunste neigen."

„Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddellijk naar den raad, hij moet op dit oogenblik juist bijeenzijn."

„Dat is zoo," hernam de Amantzin, „de eerste hachesto (heraut) der machtige Sachems is mij'komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat ik het genoegen had mijn zoon te zien.

Sluiten