Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't zyn de laatste toevluchtsoorden der kinderen van Quetzalcotatl*>), die er zich moeten verbergen als schuwe en vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen."

„Maar dank zy den Wacondah I wiens macht oneindig is, die vijf steden liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen."

Atoyac schudde treurig het hoofd.

„Mijn vader bedriegt zich," zeide hy ; „waar is een onbekend oord daar de bleekgezichten niet binnendringen ?"

„Dat kan wel zijn, zij schijpen overal hun doel te bereiken; maar tot nu toe is nog geen bleekgezicht tot Quiepa-Tani doorgedrongen ; zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen niet kunnen doordringen achter welke de heilige stad zich kalm en vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare vijanden beproefd te ontdekken."

„Nauwelijks twee zonen vroeger zou ik zoo hebben gesproken en, evenals mijn vader, over de ontwetendheid der blanken mij verheugd hebben; maar helaas 1 nu is dit niet langer mogelijk."

„Hoe dat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen ?" vroeg de jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad nieuws te zullen vernemen.

„De bleekgezichten zyn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, zij zyn talrijk en wel gewapend."

„Dat is zoo niet: myn broeder bedriegt zich ; alleen lafhartigen of oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht uitgestrooid," hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde van schrik.

„Zij die deze tijding hebben aangebracht zijn geenszins lafhartigen of praatzieke oude vrouwen," hervatte Atoyac, „maar het zyn beroemde opperhoofden ; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering verzekerd dat een sterke troep bleekgezichten zich in de bosschen verschuilt wier schaduwrijke geboomten ons tot hiertoe voor de doordringende blikken onzer vijanden verborgen hielden."

„Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde legermacht uitmaken, zullen niet wagen om zulk een welversterkte stad als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk getal uitgelezen krijgslieden bevat."

,,'t Is mogelyk, wie weet het ? Maar in ieder geval, zoo de bleekgezichten ons niet aanvallen, zullen wy het hun doen; niet een van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust onze veiligheid in de toekomst."

„Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de opperhoofden waar gy van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet bedrogen hebben en geen verraders zyn ?"

Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met een bedaard en onbewegelijk gezicht doorstond.

„Neen", riep hy een oogenblik later, „de Roode-Wolf en Adick zyn geen verraders ?"

1) De beschaver van Mexico: zijn naam komt van quetzalli, veer, en coatL en beteekend «gevederde slang."

Sluiten